Hoe voorkom je de pilotparadox? Promotieonderzoek naar hoe een succesvolle pilot over samenwerken zijn weg vindt naar structurele inbedding

Bij zo goed als alle projecten van het programma Koers en kansen voor de sanctie-uitvoering draait het om nieuwe manieren van samenwerking met professionals uit andere organisaties en uit verschillende domeinen. Maar als blijkt dat in een pilot effectiever wordt samengewerkt dan op de standaard manier, dan wil dat nog niet zeggen dat de reguliere werkprocessen daarop worden aangepast. Hoe komt dat? Welke factoren spelen daarbij precies een rol? En hoe kun je ervoor zorgen dat pilotsuccessen gemakkelijker structurele inbedding krijgen? Deze vragen staan centraal in een promotieonderzoek van de Erasmus Universiteit waarin diverse Koers en kansen-pilots worden gevolgd. Uiteindelijke doel: een aan de praktijk getoetste theorie over het implementatieproces van geleerde pilotlessen.

‘In mijn onderzoek focus ik op samenwerking. Van de pilots leer ik al: we moeten het hebben over netwerksamenwerking.' Aan het woord is promovenda Rebecca Schrooten-van der Meer. ‘Ketensamenwerking dekt de lading niet helemaal. Een justitiabele schuift in de Koers en kansen-pilots niet zomaar door van de ene samenwerkingspartner naar de ander. Het gaat om het integraal benaderen van de vaak complexe casuïstiek van mensen die keer op keer recidiveren.’ Schrooten-van der Meer vertelt over het maatwerk dat in zo’n situatie nodig is, waarbij iedere cliënt een uniek pad doorloopt. ‘Zij leveren hun cliënt niet af bij de volgende schakel in de keten en klaar.’

‘Bereik je netwerksamenwerking, dan vervang je het zogenoemde machinedenken door systeemdenken’

Bereik je die netwerksamenwerking, zo legt Schrooten-van der Meer uit, dan vervang je het zogenoemde machinedenken door systeemdenken. ‘De uitkomst is dan meer dan de som der delen. De onderlinge relaties tussen de samenwerkingspartners gaan ertoe doen. Wat gebeurt er op de koppelvlakken tussen de verschillende schakels? Daar zit de meerwaarde.’

Tweeledig onderzoeksdoel

Het promotieonderzoek van Schrooten-van der Meer moet op twee terreinen antwoorden opleveren. ‘We willen allereerst meer duidelijkheid over hoe de lessen uit de pilots een plek kunnen krijgen in de reguliere werksetting, en wat dat juist tegenwerkt. En we willen meer weten over welke generieke en contextafhankelijke factoren invloed hebben op het verduurzamen van succesvolle samenwerking, samenwerking dus die bijdraagt aan recidivevermindering.’

Schrooten-van der Meer refereert hierbij aan de pilotparadox, een principe dat naar alle waarschijnlijkheid ook geldt voor de Koers en kansen-pilots: ‘Inherent aan iedere pilot is dat je de ruimte krijgt om buiten bestaande kaders bepaalde nieuwe manieren van werken uit te proberen. Dat kan maken dat je eerder succes hebt dan wanneer je gebonden bent aan de reguliere kaders. Maar zodra je een succesvolle pilot structureel wil maken, krijg je toch weer te maken met die kaders. Dat wringt.’

‘Zodra je een succesvolle pilot structureel wil maken, krijg je toch weer te maken met reguliere kaders’

Bestaande kaders kunnen beperkend werken, legt Schrooten-van der Meer uit. Wet- en regelgeving, verantwoording en financiering richten zich op afzonderlijke organisaties, niet op samenwerkingsverbanden. ‘Het is dan ook niet voor niks dat de successen van pilots vaker niet dan wel blijvend effect hebben op de praktijk. Met dit onderzoek willen we weten wat ons kan helpen dat te voorkomen, zodat nieuwe vormen van effectief samenwerken hun weg vinden naar de standaard manier van werken.’

Van inductief naar toetsend

Het onderzoek bestaat uit drie fases. De eerste fase, het verzamelen van gegevens bij een handvol projecten van Koers en kansen, is in volle gang. De projecten zijn met zorg geselecteerd en uiteenlopend van aard. Schrooten-van der Meer: ‘Deze fase is inductief. Bij inductief onderzoek werk je niet vanuit een theoretische hypothese. Dit soort onderzoek doe je als er relatief weinig literatuur te vinden is over jouw onderwerp.’

Op basis van de wetenschappelijke literatuur die er wél is, formuleert de onderzoekster de vragen en topics die een eerste leidraad zijn bij haar veldwerk. ‘Ik volg de betrokken pilots op samenwerkingsvraagstukken, vier kwartalen lang, en kijk naar het proces op dit vlak. Wat zien we gebeuren? Al gaandeweg bouw ik kennis op vanuit de praktijk.’

Op basis van deze eerste fase ontwikkelt Schrooten-van der Meer in de tweede fase een theorie voor het verduurzamen van effectieve samenwerking rondom recidivevermindering. Dat kader gaat ze in de laatste fase van het onderzoek toetsen aan de praktijk.’

Omzeilen van open deuren

Schrooten-van der Meer organiseert interactieve intervisiesessies met de projectleiders van de betrokken pilots. Ze haalt daar rode draden uit over hun ervaringen in het samenwerken met andere partners en hun opvattingen over verduurzaming van pilots. ’Ik observeer, zie wat er gebeurt en vraag door.’

Daarnaast interviewt Schrooten-van der Meer periodiek zowel bestuurders als uitvoerende professionals die met de pilots te maken hebben.

Beeld: Sanders en Stapper, 2012
Met welke techniek boor je oppervlakkige en diepe kennis aan bij een respondent?

‘Hoe ik open deuren en algemene waarheden omzeil, zoals: het ligt aan de manier van financiering, of aan wet- en regelgeving? Wat helpt is dat ik de geselecteerde pilots over een langere tijd volg, dan kom je steeds een laag dieper.’

Ook werkt Schrooten-van der Meer vanuit de methodiek design thinking, een creatieve manier om naar ingewikkelde problematiek te kijken: ‘Steek je een sessie creatief in, dan verlaten mensen voor de hand liggende paden. Ze komen met andere invalshoeken. En door bepaalde vragen voorafgaand aan een sessie al te beantwoorden, zetten ze hun ideeën als het ware van tevoren al op een rijtje en putten daardoor tijdens de bijeenkomst zelf uit een diepere laag kennis.’

Het onderzoek is naar verwachting afgerond in 2023.